Het belangrijkste verschil tussen bomen en planten is dat de boom ieder jaar diktegroei vertoont. De takken, wortels en stam worden omgeven door cambium. Ieder seizoen delen de cambium cellen zich in lagen nieuwe cellen waar aan de binnenkant houtcellen of xyleem en aan de buitenkant bastcellen worden gevormd.
In het begin wordt voorjaarshout gevormd, later tot oktober zomerhout, cellen worden donkerder en kleiner. In het volgende voorjaar komt hiertegen aan weer het voorjaarshout en dit veroorzaakt de jaarringen.
Als in het voorjaar de temperatuur ongeveer 5 graden is begint de groei van wortelharen die slechts een levensduur hebben van ongeveer twee weken. Er wordt dus al gewerkt aan onze boom maar we zien er nog niets van. Omdat de wortelharen de vorige herfst zijn afgestorven, begint de groei met behulp van vorig jaar opgeslagen voedingsstoffen. Deze helpen bij het vormen van nieuwe witte wortelharen of haarwortels. Dan kan de fabriek weer gaan draaien en gaan de chemische processen weer zorgen voor verdere groei van de boom.
In de boom zijn diverse processen werkzaam die het water tot op een ongelooflijke hoogte van l00 meter kunnen brengen door de werking van de heel kleine buisjes in de cellen. Osmose heet het proces waarmee de wortelharen water uit de bodem trekken. In de bladeren hebben tenslotte de ingewikkelde processen van fotosynthese en verbranding plaats.
Alle normale bomen vormen aan het eind van het seizoen een eindknop, omgeven door zijknoppen. Bij Eucalyptus blijft knopvorming achterwege en groeit de boom het hele jaar door. Cipressen stoppen 's winters gewoon zonder een knop te vormen. Dennen en sparren hebben grote knoppen waaruit zich snel de tak voor het hele seizoen ontwikkelt. De rest van de tijd wordt gebruikt voor het maken van de nieuwe knop. Ze hebben dan veel zon en weinig water nodig. Luie bomen dus. Larixen, ceder en tsuga hebben dezelfde soort knop maar groeien wel de hele zomer door. Veel bomen vertonen afwijkend groeigedrag. Eik, esdoorn en beuk kunnen wel 20-30 cm per week groeien waarna de groei ineens stopt om na juli weer een explosie te laten zien.
Bij veel bomen blijft een deel van de okselknoppen ongeopend. Ze raken bedekt door de bast maar worden door het cambium weer naar buiten gedrukt. Ze vormen een bescherming voor een voortijdige dood. Als de hoofdas beschadigd is komen deze knoppen tevoorschijn en groeien uit en kunnen zo de boom weer nieuw leven geven.
De groei van bomen is heel verschillend, normaal is een groei van de stamomvang van 2,5 cm per jaar. Een boom met een stamomvang van 2,5 meter is meestal l00 jaar oud. Er zijn veel uitzonderingen ook afhankelijk van de standplaats.
Er komen in Nederland in het wild 44 bekende soorten voor die lang niet allemaal inheems zijn, maar de herkomst is niet na te gaan. Er is nog veel te zeggen over het verspreidingsgebied van bomen maar dat is erg moeilijk. Determinatie, het benoemen van de boom is een van de moeilijkste punten. Het zal altijd wel moeilijk blijven de boom goed bij zijn naam te noemen. Zelfs boomkwekers kennen soms niet veel meer dan het assortiment dat ze kweken.
Piet Hoek